BLOG · PATRONEN

De zes chroniciteits-

patronen van IEMT

De zes chroniciteits-patronen van IEMT

De zes chroniciteits-patronen van IEMT. Vijf primaire plus één secundair, uitgelegd met voorbeelden.

Waarom sommige problemen blijven terugkomen

Je kent iemand — waarschijnlijk jezelf — die al jaren over hetzelfde thema worstelt. Er is over nagedacht. Er is over gesproken. Er zijn boeken gelezen, coaches geraadpleegd, misschien zelfs therapie gevolgd. Er zijn momenten van inzicht geweest, momenten van “nu snap ik het”. En toch komt het terug, in een nieuwe vorm, in een nieuwe relatie, in een nieuwe baan — net iets anders, maar onmiskenbaar hetzelfde.

Dat is het domein van wat Andrew T. Austin in IEMT patterns of chronicity of chroniciteits-patronen noemt. Het is een van de meest onderscheidende concepten in de IEMT-methodiek, en het is de reden waarom mensen soms na jaren therapie beweging vinden in iets anders — niet omdat de vorige therapeuten slecht waren, maar omdat het patroon dat het probleem vasthield niet direct werd aangepakt.

Dit artikel is een volledige uitleg van de zes patronen: vijf primaire plus één secundair. Elk patroon krijgt een voorbeeld uit de praktijk zoals ik het tegenkom bij managers en professionals. Aan het eind staat een verwijzing naar de zelfscan die in vijf minuten zichtbaar maakt welk patroon bij jou op dit moment het meest actief is.

Wat chroniciteits-patronen zijn (en niet zijn)

Laat me eerst uit de weg ruimen wat ze níet zijn.

Chroniciteits-patronen zijn geen karakterzwaktes. Ze zijn geen tekenen van gebrek aan discipline, inzicht of veerkracht. Ze zijn geen diagnoses. Ze zijn geen persoonlijkheidstrekken waar je maar mee moet leren leven.

Wat ze wél zijn: gedrag- en taal-structuren die onbewust een probleem beschermen tegen verandering. Ze zijn patronen van denken, voelen, reageren én taalgebruik die zich zo hebben ingesleten dat ze het probleem automatisch in stand houden — ook als je bewust probeert er vanaf te komen. Ze zijn in het verleden nuttig geweest, vaak als bescherming of overlevingsmechanisme. En ze lopen nu door, in situaties waar ze hun dienst niet meer doen.

Austin ontwikkelde dit concept uit langdurige klinische observatie van cliënten bij wie problemen bleven bestaan ondanks herhaalde therapie. De patronen zijn zo hardnekkig dat ze, wanneer actief, de therapie zelf afslaan — ongeacht de modaliteit. Dat is een harde uitspraak, en het is precies wat het concept onderscheidt: niet de methode faalt, het patroon blokkeert de methode.

Ze zijn vaak onzichtbaar voor de drager zelf. De meeste mensen die bij mij komen, kunnen het patroon niet direct benoemen — ze kennen alleen het gevoel dat iets blijft terugkomen. Pas als het patroon wordt herkend, wordt het werkbaar. Het benoemen van het patroon is de eerste verschuiving. Erop werken is de tweede.

De diagnose-vraag die bij dit denken hoort, klinkt anders dan in de meeste therapie-tradities. Niet: “wat is er gebeurd?”. Niet: “hoe intens is de klacht?”. Maar: “Wat voorkomt dat dit verandert?” Die vraag, door Austin ontwikkeld als kern van de IEMT-werkwijze, legt het patroon bloot waar de andere vragen eroverheen kijken.

In de IEMT-methodiek zijn er vijf primaire patronen en één secundair patroon. De namen hieronder zijn de alledaagse-taal-varianten zoals ze in de zelfscan worden gebruikt; tussen haakjes staat de IEMT-term zoals Austin hem kort benoemt. De formele Austin-namen zijn langer en beschrijvender (bijvoorbeeld “Three-Stage Over-Reaction” voor patroon 1); wie zelf verder wil lezen in de IEMT-literatuur vindt ze daar.

Patroon 1 — Reacties die oplopen (three-stage over-reaction)

De kern. Wanneer iets je raakt en de ander reageert niet zoals je had gehoopt, merk je dat er iets in je sterker wordt. Soms word je stiller en zwaarder, soms juist harder of directer. Dit gebeurt vaak voordat je bewust iets besluit. Na een uitbarsting voel je even rust — maar de situatie die de reactie opriep komt terug.

Voorbeeld uit de praktijk. Een manager merkt dat hij in vergaderingen zijn stem steeds harder maakt om gehoord te worden. Hij ziet zelf dat het niet helpt — zijn team trekt zich terug, beslissingen worden uitgesteld. En toch gebeurt het telkens weer, voor hij er erg in heeft. Thuis gebeurt iets vergelijkbaars: als zijn partner niet reageert zoals hij hoopt, wordt hij chagrijnig totdat de sfeer zo zwaar wordt dat zij ernaar vraagt. De escalatie is een vorm van hulp-roepen die zichzelf saboteert.

Waarom het vastloopt. Onder de reactie zit een onuitgesproken vraag: “Zie je me nu?” De escalatie is een manier om dat te forceren. Omdat het soms werkt — even — wordt het patroon in stand gehouden. Meer nadenken over de reactie helpt niet; het patroon speelt zich af op een laag onder het denken.

Patroon 2 — Het overkomt me (at-effect)

De kern. Je voelt vaak dat dingen met je gebeuren en dat jij er weinig invloed op hebt. Anderen maken je boos, verdrietig of onzeker. Je zoekt iemand die het voor je oplost — een partner, expert, therapeut, baas. Als die oplossing niet komt, voelt het alsof er niets aan te doen is.

Voorbeeld uit de praktijk. Een young professional vertelt dat een opmerking van een collega haar hele dag uit elkaar heeft geschoven. Niet omdat die opmerking zo erg was — cognitief ziet ze dat ook — maar ze komt er niet uit. Het overkomt haar. In een ander gesprek blijkt dit patroon zich ook af te spelen rond haar werkgever: promotie laat lang op zich wachten, ze voelt zich gepasseerd, en wacht af tot “ze” haar zullen zien. Zelf vraagt ze er niet naar, want het voelt alsof de oplossing bij een ander hoort te komen.

Waarom het vastloopt. Het patroon beschermt tegen de last van verantwoordelijkheid. Als dingen je overkomen, hoef je ze niet te maken. Dat geeft rust op korte termijn, maar houdt je sleutels bij anderen. Verandering begint met het gevoel dat jij iets kunt doen — en precies dat gevoel houdt dit patroon tegen.

Patroon 3 — Wat als… (what-if)

De kern. Je gedachten zoeken vaak naar wat er mis kan gaan. Eén onwaarschijnlijk scenario weegt zwaarder dan tien realistische die wel werken. De “wat als”-vragen voeden zichzelf: de ene leidt naar de volgende, en weer terug. Geruststelling van anderen landt niet — er komt meteen een nieuwe “wat als”.

Voorbeeld uit de praktijk. Een professional overweegt een andere baan. Binnen een minuut kan hij tien dingen opnoemen die mis kunnen gaan als hij de overstap maakt. Zijn vrouw, vrienden en coach geven stuk voor stuk goede tegen-argumenten. Elk argument wordt kort gewogen, en dan duikt er een nieuwe “wat als” op. Wat onder de vragen zit is niet een reëel risico-probleem — het is een onuitgesproken vraag naar zichzelf: “Ben ik wel goed genoeg hiervoor?”

Waarom het vastloopt. De “wat als”-scenario’s zijn geen gedachten — het zijn geautomatiseerde reacties die zich als gedachten verkleden. Werken op de inhoud (“klopt dit scenario?”) brengt geen verschuiving, omdat de vraag onder de scenario’s ligt. Pas als die onderliggende laag wordt aangeraakt, stopt de scenario-productie.

Patroon 4 — Liever nog niet beslissen (maybe-man)

De kern. Beslissen voelt zwaarder dan voor de meeste mensen. Je antwoordt vaak “misschien” of “ik zie wel” als anderen iets duidelijks willen horen. Kleine keuzes blijf je heen en weer overwegen. Grote keuzes stel je uit om alle opties open te houden. Vaag blijven beschermt tegen het risico dat je iets verkeerd doet — en voorkomt tegelijk de actie die iets zou bewegen.

Voorbeeld uit de praktijk. Een senior manager heeft drie functie-aanbiedingen gewogen. Geen van drie voelt helemaal goed, dus blijft ze waar ze nu zit — niet omdat dát goed voelt, maar omdat kiezen een risico lijkt. Thuis doet zich hetzelfde voor: haar partner vraagt wat ze wil eten, zij zegt “maakt niet uit”, en achteraf blijkt het wel uit te maken. Ze begint aan projecten zonder ze af te maken. Als iemand vraagt wat ze écht wil, is haar antwoord vaag — ook voor zichzelf.

Waarom het vastloopt. Dit patroon heeft vaak een achtergrond waar beslissen vroeger niet veilig was — een ouder die kritisch reageerde op keuzes, een situatie waarin fouten hard werden afgerekend. Nu is het meestal wel veilig, maar de gewoonte om uit te stellen loopt nog door. Bewust “beslissen” helpt niet, want de bevriezing zit lager. Het lichaam reageert alsof-het-gevaarlijk-is.

Patroon 5 — Is het er nog? (testing)

De kern. Je checkt regelmatig of je klacht, gevoel of patroon er nog is. Als je een stukje ervan tegenkomt, voelt het alsof alles terug is. Je kijkt naar wat er nog is, niet naar wat er is veranderd. Na een goede fase denk je: wanneer komt het terug? Je scant jezelf op signalen om te weten hoe je bent.

Voorbeeld uit de praktijk. Iemand die ik heb begeleid bij stress-klachten merkt na zes sessies dat het opvallend rustiger is geworden. Dan heeft hij drie dagen lang iets minder energie — wellicht door een griepje, wellicht door gewone schommelingen — en hij concludeert: “Het is er nog, het is alleen verborgen.” De drie rustige weken ervoor registreren niet. Hij is op zoek naar de 1% die nog te vinden is, en mist de 99% die is veranderd.

Waarom het vastloopt. Het scannen is zélf de drager van het probleem — het is hoe iets actief blijft. Als je steeds zoekt naar je angst, houd je je angst levend. 99% verbetering voelt niet als vooruitgang zolang die 1% nog detecteerbaar is. Je houdt het probleem actief niet omdat je dat wil, maar omdat checken veiliger voelt dan niet checken.

Patroon 6 (secundair) — Dit of dat (either-or)

De kern. Je ziet situaties vaak als “dit of dat”, alsof er maar twee opties zijn. Het derde pad, het beide-en, of het geen-van-beide blijven buiten beeld. Dit maakt commitment moeilijk — elke keuze lijkt iets anders uit te sluiten. Bij kiezen raak je vast, want geen van beide opties voelt goed.

Voorbeeld uit de praktijk. Een directeur worstelt met een reorganisatie. De framing is: “we moeten inkrimpen óf we moeten groeien”. Elke maand zitten beide opties in dezelfde vergadering te wachten op een beslissing die er niet komt. Pas wanneer in een sessie de framing zelf ter discussie komt — “is er een mogelijkheid dat geen van beide het juiste is?” — ontstaat ruimte voor een derde route die eerst onzichtbaar was.

Waarom het secundair is. Dit patroon speelt zich anders af dan de vijf primaire. Het is meer een denk-structuur dan een ingesleten reactie. Het werkt vaak samen met één of meer primaire patronen — iemand die “Liever nog niet beslissen” draagt, raakt vaker verstrikt in “Dit of dat”-frames. Bij sommige mensen is het hoofd-patroon, bij anderen amper aanwezig.

Hoe de patronen zich gedragen

Een paar dingen zijn belangrijk om te begrijpen over hoe deze patronen zich in een leven manifesteren.

Ze komen zelden alleen. De meeste mensen hebben één of twee patronen die sterk actief zijn, met nog wat invloed van de andere. De zelfscan geeft percentages per patroon — een combinatie zoals “sterk Wat als… plus matig Is het er nog?” is gebruikelijk.

Ze bewegen door iemands leven. Een patroon dat in één rol sterk actief is, kan in een andere rol rusten. Zelfscan-uitkomsten zijn een momentopname; over tijd verschuiven ze. Dat is waarom de zelfscan ook twee keer met een jaar ertussen nuttig is.

Ze houden zichzelf in stand. Dat is precies waarom ze “chroniciteits”-patronen heten. Elk patroon heeft een interne logica die hem laat blijven werken — Patroon 1 door de korte opluchting na escalatie, Patroon 5 door de vermeende veiligheid van checken. Doorbreken vraagt om op die interne logica zelf te werken, niet op het symptoom.

Ze zijn ontstaan in context. Patronen zijn niet aangeboren. Ze zijn geleerd, vaak in een periode waar ze wel dienst deden. Wat ooit slimme aanpassing was is nu ingeslepen automatisme. Het patroon heeft jou dienst bewezen — het werkt nu alleen niet meer.

Waarom dit belangrijk is voor therapie en coaching

Het idee van chroniciteits-patronen heeft een concrete implicatie voor therapeutisch en coach-werk: zonder deze patronen te adresseren, blijft elke modaliteit steken. Je kunt de beste gesprekstherapeut hebben, de beste methode volgen, de beste instructies krijgen — als er een patroon actief is dat het probleem vasthoudt, draait het werk in cirkels. Dat is niet de schuld van de therapeut of de methode; het is de aard van het patroon.

IEMT is uitdrukkelijk ontworpen om deze patronen eerst aan te pakken, als fundamentele stap voorafgaand aan (of parallel met) werk op het eigenlijke thema. Dat onderscheidt IEMT van veel andere modaliteiten, die wél effectief kunnen zijn op hun eigen domein maar zonder patroon-adressering steken blijven waar een probleem zichzelf vasthoudt. Lees daarover meer in wat is IEMT en wanneer werkt het.

Wat dit voor jou betekent

Als je dit leest en herkent — een van de patronen, of meerdere — is dat informatie, geen oordeel. De meeste mensen dragen minstens één patroon mee. Ze bestaan niet om weggedrukt te worden, maar om werkbaar te worden.

Er zijn twee praktische stappen.

Eerste stap: zelfscan. In vijf minuten krijg je zicht op welk patroon bij jou op dit moment het meest actief is. Geen diagnose, wel een spiegel. Alle antwoorden blijven in je browser — niets wordt opgeslagen of gedeeld.

Doe de zelfscan →

Een aantal van deze patronen kom je uitgewerkt tegen in aparte posts: het controle-patroon bij managers, de vermoeidheid waarvoor geen woord is, wat er onder ‘niet meer willen praten’ zit, en voor vroege carrière: het moment waarop je twijfelde of studeren dit waard was. Elk gaat dieper op herkenning en waar het vasthaakt.

Tweede stap: als een patroon herkenbaar is, een gesprek. In een kennismakingsgesprek (twintig minuten, kosteloos) kijken we of jouw patroon past bij de IEMT-methodiek. Als het niet past — bijvoorbeeld omdat er klinische zorg nodig is, of omdat een andere modaliteit beter aansluit — zeg ik dat en denk ik mee over wat wel zou werken.

Plan een kennismakingsgesprek →

Eerlijke kanttekening

Een coach die beweert dat hij elk patroon bij elke cliënt kan oplossen, is een waarschuwingssignaal. Sommige patronen wijken na drie sessies; andere vragen een langere en gelaagde aanpak. Sommige mensen vinden beweging in IEMT; anderen niet, en voor hen past iets anders. Dat is geen gebrek in de methode — het is de realiteit van werk op deze laag. Eerlijkheid hierover hoort bij hoe ik werk.

Als dit raakt aan iets wat je bij jezelf ziet, neem dan contact op. Dan kijken we samen of de route klopt.

← Terug naar blog
Inhoudsopgave